Het is evident dat in ons taalgebied het Nederlands onder druk staat in het hoger onderwijs en dat het Nederlands onder druk staat als wetenschapstaal. Alle taalgebieden in Europa ondergaan de druk van het Engels, dat de taal is geworden waarin een onevenredig groot deel van de wetenschappelijke publicaties uitgegeven wordt.
In Nederland heeft deze vaststelling samen met andere mercantiele factoren geleid tot een belangrijke mate van verengelsing van het hoger onderwijs. In de masterfase wordt de helft of meer van het onderwijs in het Engels gegeven. In sommige instellingen is dit 100 %, bijvoorbeeld in Wageningen en in Maastricht, dat samenwerkt met de universiteit Hasselt. Ook in Nederlandstalig België, dat ter zake toch een behoorlijke regelgeving heeft, bestaat de verleiding om het Engels als onderwijstaal boven de geldende normen in te voeren. Sommige beleidsvoerders bepleiten dit. Algemeen moet gezegd worden dat het de leiding is van onderwijsinstellingen, die de verengelsing bevordert.
In deze nota wordt gepeild naar de wenselijkheid van deze evolutie en, in geval van een probleemstelling hierrond, naar mogelijkheden om oplossingen aan te bieden die Nederlandstaligen geen geweld aandoen.
Uitgaande van nutsdenken, dat geïdentificeerd wordt met taaleenvormigheid en grootschaligheid op grondslag van bestaande machtsposities, kan men allicht geneigd zijn een universele wetenschapstaal toe te juichen. Dan spreken de wetenschappers van alle landen dezelfde taal immers, lezen ze elkaar zonder problemen en zetten ze een trend in naar een mondiale samenleving bij hun gehoor. Dergelijke taalhomogeniteit biedt nog andere voordelen: de verspreiding van de wetenschap wordt aanzienlijk goedkoper, gegeven de gestegen oplage.
Uitgaande van de openstelling van het hoger onderwijs voor Engelstaligen, door een aanpassing van het taalregime, hebben onze instellingen een aanzienlijk toegenomen werfgebied. Het is een niet te misprijzen voordeel. Door in het Engels te publiceren en te doceren worden de bekendheid en het academisch prestige van de wetenschappers en van de instellingen waaraan ze verbonden zijn, vergroot.
Met de keuze van Engels als de wetenschapstaal heeft men het voordeel dat de wetenschappers over de hele wereld kennis kunnen nemen van de wetenschappelijke productie in hun vakgebied, en die productie kunnen beoordelen.
De drie bovenstaande invalshoeken verdienen het met een kritische blik bekeken te worden.
Vanuit een algemene kritische kijk moet gesteld worden dat de vermelde opgave van baten een belangrijk vooroordeel buiten het vizier houdt. Wetenschap en de hieraan gerelateerde economische aspecten functioneren los van een integrale maatschappijvisie. Ze zijn de enige in aanmerking genomen fragmenten. Een integrale visie moet rekening houden met het hele maatschappelijk netwerk, alle concrete netwerken dus, en met de belangen van alle deelnemers en deelnemende groepen.
De opgegeven voordelen van het Engels als dé wetenschapstaal houden ook buiten het vizier dat wetenschapsbeoefening niet waardevrij gebeurt, en dat een aantal wetenschappers, de Engelstalige op z’n minst, in dergelijk systeem bevoordeeld worden op een wijze die niet strookt met het gelijkheidsbeginsel.
Het kan niet ontkend worden dat de toegenomen verengelsing van het wetenschappelijke leven ook een risico inhoudt van een toegenomen bevestiging van de bestaande paradigma’s en van de belangensferen eromheen.
Vanuit onze Europese situatie en vanuit de Nederlanden bekeken, kan enkel gesteld worden dat het verlies van de wetenschappelijke ambitie van onze talen, hier in het bijzonder van het Nederlands, schadelijk is voor onze sociale en onze economische belangen. Dit geldt voor onze maatschappij als geheel, en voor alle deelnemers, de minst weerbaren het eerst. Bij voortzetting van het project tot verengelsing zijn volgende gevolgen voorspelbaar:
Wat hier geschetst wordt, is dus een sociaal ongewenste toestand en het verdwijnen van het Nederlands als standaardtaal in alle domeinen.
Ten eerste moet uitgegaan worden van de wil om de taalbelangen van onze taalgemeenschap te verdedigen. Het is een taak voor allen, maar in de eerste plaats voor de beleidsverantwoordelijken. Het Nederlands is een officiële taal in de Antillen, Aruba, België, Nederland en Suriname. Het wordt gesproken in emigratiegemeenschappen wereldwijd, is verwant met het Afrikaans van 6 miljoen sprekers in Zuidelijk Afrika. De verdediging van het Nederlands is derhalve een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een taalgemeenschap over de grenzen heen.
Ten tweede moet uitgegaan worden van de Europese context, waarin de Nederlandstalige gemeenschap in grootte de zevende taalgemeenschap is. De verdediging van de taalbelangen, die evenzeer democratische belangen zijn, moet ook op het Europese niveau gebeuren. “De zorg voor minderheidstalen zou krachtens het subsidiariteitsprincipe eerder een zaak van nationale overheden dan van Europa moeten zijn” (T. Hagen). Europa zou het behoud en de bescherming van de functies van de nationale talen ter harte moeten nemen. Daarbij zijn het hoger onderwijs, het bedrijfsleven en de wereld van de media gemoeid. De beslissing meertaligheid voor te staan, schept niet enkel ruimte maar is ook een concreet om te zetten en af te rekenen opdracht. Daarbij kan de EU onder meer inzetten op snelle taalmethodes, zoals het receptief onderwijs, het passief leren van elkaars taal (Reiner Arntz), waarbij Engels niet nodig is als ‘lingua franca’.
Ten derde is de positie van de vaktalen een dringende zaak. In het Nederlands moeten de vaktalen, in goede verbinding met andere talen, vastgelegd worden en ter beschikking staan van de gebruiker en de wetenschap. De vaktaal voedt de algemene taal immers en omgekeerd. Het is dus van rechtstreeks belang voor de algemene taal vaktalen te hebben en zo mee te kunnen groeien met de ontwikkelingen op allerlei gebieden. Vanuit de wetenschapstermen moet immers overgestapt kunnen worden op equivalenten in de algemene taal, bijvoorbeeld in de arts-patiëntrelatie. Het geldt voor alle beroepen en vakken. Dergelijke equivalente terminologie op elk knooppunt tussen theorie en praktijk dient de internationalisering in bredere zin.
Wat betekent deze aandacht voor vaktalen in de hogeronderwijspraktijk?
Zo kunnen onze wetenschappers én internationaal meepraten én is er voldoende doorstroming vanuit de wetenschappelijke vaktalen naar de algemene standaardtaal.
Ten vierde is de hierboven reeds vermelde wetenschapsjournalistiek een prominente factor. Deze journalistiek verzorgt de koppeling van wetenschap met de algemene taal en het brede publiek. Dat wordt zo betrokken bij de resultaten van het onderzoek en bij het object van het hoger onderwijs, waartoe dit brede publiek substantieel bijdraagt. Daardoor ondersteunt de wetenschapsjournalist de politieke wil om onderzoek in de eigen taal te blijven bekostigen. Een vertaalfonds dient deze journalistiek te stimuleren door wetenschappelijke artikelen in vertaling aan te reiken.
Ten vijfde, zoals eerder aangegeven, dient het taalbeleid in een fonds voor het vertalen van vakliteratuur te voorzien. Dit vertalen moet evengoed vanuit het Nederlands als naar het Nederlands gebeuren. Ook dit kan een gezamenlijke aanpak zijn, over staatsgrenzen heen. Dit centrale fonds voor het hele taalgebied zal de opbouw van een bibliotheek voor vaktaal en voor wetenschappelijke studies opbouwen. Hiertoe zal ook Europa initiatieven moeten nemen om de standaardtalen op alle domeinen te laten leven.
Ten zesde moet gewezen worden op de vele mogelijkheden en middelen om de taalvaardigheid in andere talen te verhogen bij Nederlandstalige studenten: bijkomende handboeken en artikelen in andere talen, vaak het Engels; een vakgerelateerde cursus technisch Engels, met aansluitende practica; een aangepaste technische taalcursus, ter voorbereiding van hoger onderwijs in een ander taalgebied. Evenzeer kan men aan faciliteiten voor het leren van het Nederlands leren denken ten behoeve van studenten uit andere taalgebieden die aan onze instituten college lopen.
In het besef dat de Nederlandse Taalunie in dit overzicht van oplossingen een unieke instrumentaliteit kan ontwikkelen, past het ook te denken dat de Europese Unie op haar bevoegdhedenniveau een aantal institutionele stappen moet ondernemen om de meertaligheid en de Europese eenheid optimale groeikansen te bieden op het niveau van de wetenschappelijke vorming en van de beroepsvorming en om verkeerde werkingen tegen te gaan. Het is natuurlijk zeer de vraag of deze verwachting niet te hoog gegrepen is.
De documentatie die geleid heeft tot dit samenvattend overzicht, danken wij in voorname mate aan de werkgroep Taal en Taalbeleid van het Algemeen-Nederlands Verbond, waarvan de documentatie gebruikt werd op de hoorzitting in het Vlaams Parlement op 5 juni 2001, aan verschillende tussentijdse documenten en aan de inbreng van belangrijke deskundigen tijdens het Congres over het Nederlands in het hoger onderwijs en in de wetenschap, gehouden in het Vlaams Parlement op 10 oktober 2008. Initiatiefnemers waren de stichting Nederlands, de vereniging voor Nederlandstalige terminologie NL-Term en het Algemeen-Nederlands Verbond vzw. Prof. dr. W. Martin stelde tijdens deze congresdag een stappenplan voor, waarvan wij op korte termijn de verwezenlijking zouden wensen. Wij zijn veel dank verschuldigd aan mevrouw dr. Els Ruijsendaal voor het ter beschikking stellen van haar uitgebreide verslaggeving en haar persoonlijke visie.
De roep om hoger onderwijs in het Engels in Vlaanderen is weer luid hoorbaar. Er is de studie van professor Soete m.b.t. innovatie en er is de eerder magere instroom van Erasmusstudenten. Er zwermen meer Vlaamse studenten over Europa uit, dan er Europeanen terugkomen en studenten zijn nu eenmaal centen! Vandaar dat de universiteiten erop uit zijn om studenten te lokken via het Engels, terwijl de Erasmusprojecten juist tot doel hebben om studenten gedurende een jaar of een semester onder te dompelen in de taal en cultuur van de regio of het land van de ontvangende universiteit of hogeschool. Een eventuele verengelsing staat haaks op het principe van een Erasmusstage.
Maar er is meer, wanneer wij in het universitair en het hoger onderwijs de deur openzetten voor onderwijs in het Engels, dan degraderen wij onze taal op middelkorte termijn.
Europa betekent “eenheid in verscheidenheid”, verscheidenheid in talen en culturen is een factor van rijkdom. Een versmalling van het taalgebruik binnen de universitaire ruimte naar functioneel Engels lijkt een eerder omgekeerd uitgangspunt.
Elke taal is telkens een andere bril is waardoor iemand de wereld rondom zich in kaart kan brengen, meertaligheid is dus zonder meer een troef. Wanneer we nu overschakelen op functioneel Engels, dan geven we meteen de voorsprong van meertaligheid uit handen en steunen we de minimalisten (die alleen hun moedertaal spreken en soms notie hebben van een tweede taal.)
Meertaligheid kan enkel vertrekken vanuit een uitmuntende kennis van de eigen taal, maar in Vlaanderen zitten we nog in een evolutieproces naar de standaardtaal en nu zou plots het Engels de onderwijstaal worden in grote segmenten van het hoger onderwijs. Op die manier doe je natuurlijk niet aan culturele kruisbestuiving, maar geef je platweg toe aan de mercantiele visie op onderwijs, zoals die in de Angelsaksische landen opgeld maakt. Het Nederlands is een middelgrote taal, maar de Angelsaksische druk op het hoger onderwijs is groot.
Het voorstel om in het Engels te doceren is helemaal niet progressief, wel integendeel! Het gaat voorbij aan de wil om voor iedereen gelijke kansen te creëren in het hoger onderwijs. Het leerplichtonderwijs heeft de laatste jaren gigantische inspanningen geleverd om het Nederlands als onderwijstaal voldoende sterk te maken bij kansarme kinderen en bij kinderen van allochtone afkomst. Het is de bedoeling om in het hoger onderwijs voldoende doorstroming te realiseren van jonge mensen uit deze groepen. De reden van de geringe instroom tot nog toe heeft te maken met de gebrekkige taalkennis, waardoor die kinderen achterop raken. Net nu die inspanningen om de achterstand m.b.t. het Nederlands weg te werken, vruchten beginnen af te werpen, wil men een bijkomende drempel inbouwen door aan onze universiteiten en hogescholen het Engels in te voeren. Dit zet de poort wagenwijd open naar een duale (kennis)maatschappij.
Een taal raakt in het defensief en haar status degradeert finaal, wanneer zij zich als middel tot kennisoverdracht in haar hoger onderwijs niet kan handhaven. Het hoger onderwijs is de natuurlijke biotoop van het Nederlands. De leefruimte van een taal is voor een stuk het onderwijs en daar komen de impulsen vooral van de universitaire wereld, haar afgestudeerden en van het wetenschappelijk onderzoek.
We leven sedert 40 jaar in een volledig Nederlandstalige universitaire ruimte in Vlaanderen. Wij hebben in de vorige eeuw heel lang het tweetalige stelsel aan onze universiteiten gekend. We kunnen toch niet ernstig overwegen om de Nederlandstalige universitaire ruimte, waar generaties Vlamingen vragende partij voor waren, weer te verlaten! In de huidige regelgeving is al veel ruimte voor onderwijs in het Engels en bijna elke na-master opleiding gebeurt nu al in die taal. Betekenen internationalisering en mondialisering dat we de eigen taal moeten laten verschralen, ten voordele van een verarmd en verarmend Engels? Moeten onze studenten, op een ogenblik dat het opdoen van specialistische kennis in hoge mate van taalnuancering afhangt, in contact komen met professoren die niet in hun moedertaal doceren en dus hoe dan ook op een lager taalniveau functioneren?
Wat in Nederland gebeurt, moet ons in dit opzicht niet tot voorbeeld strekken, maar eerder als een geslaagde vorm van afschrikking voor ogen staan. Willen we in dat Nederlandse verhaal mee instappen? Zaten we van 1830 tot pakweg 1970 niet voldoende in het defensief ten opzichte van het Frans, om nu het Engels als onderwijstaal te omarmen? Wie van zichzelf vervreemdt, vervreemdt van de andere. Je kan de anderen maar in hun echtheid en eigenheid tegemoet treden als je zelf stevige wortels hebt! Het Nederlands heeft als een van de eerste Europese talen de aanzet gegeven om inzake wetenschappelijk onderzoek het Latijn te verlaten, als taal hebben we een uitstekende staat van dienst.
Wanneer men in het hoger onderwijs het Engels wil invoeren, zal dat repercussies hebben op het middelbaar en op het basisonderwijs. Ouders zullen vragende partij zijn om meer en vroeger dan nu het geval is Engels te onderwijzen. Er zal een parallel circuit ontstaan, waardoor diegenen met meer financiële draagkracht hun kinderen alsnog meer Engels zullen aanbieden. Hierdoor begeven we ons weer een beetje meer in de richting van de gevreesde duale maatschappij. Een ander argument is dat zo’n functioneel Engels de niet-Engelstaligen ten opzichte van de Angelsaksische wereld discrimineert. Bij gelijke capaciteit kan iemand hoe dan ook nooit op tegen een moedertaalspreker. En hoe moet een student examens in het Nederlands afleggen, waar professoren niet geneigd zullen zijn om nog voor Nederlandstalige cursussen te zorgen en de hele gespecialiseerde vakterminologie in een andere taal gedoceerd werd.
De vernederlandsing van het hoger onderwijs bracht in Vlaanderen een nooit geziene emancipatiegolf teweeg, een ontvoogding met een krachtige inhaalbeweging. Vlaanderen heeft een hoge graad van meertaligheid, maar die meertaligheid vertrekt vanuit het Nederlands. Al het andere leidt tot vervreemding en tot culturele uitholling. Het Europees project kan alleen maar slagen als het respect opbrengt voor de basisdemocratie. Basisdemocratie vertrekt van het recht op onderwijs in eigen taal. Daarom is “Spielerei” met de decreten voor het hoger onderwijs niet aangewezen en al helemaal niet met betrekking tot de onderwijstaal. Dat is geen conservatieve houding, maar een progressief verhaal van gelijke kansen.