anv logoANV INTERNATIONALE VERENIGING VOOR DE NEDERLANDSE TAAL EN CULTUUR


Een piëteitsvol aandenken. De ANV-Visser-Neerlandiaprijzen, hun oorsprong en een toepassing.


VERSCHENEN IN:
Richard Celis. Sporen trekken. Uitg. Pandora, Brasschaat, 2009, 356 blz., 29 euro. ISBN 97890-5325-3014

Op 10 oktober werd dit Vriendenboek aangeboden aan Richard Celis. In dit vrij lijvige boek schetsen een zestigtal mensen, zeer bekende en andere, een stuk van de werkelijkheid die relevant was, relevant is en relevant blijft voor al wie de voorbije en de huidige eeuw beschouwt met oog op de sporen die de gevierde erenotaris erin getrokken heeft en aanreikt. Wij drukken hier met toelating van de uitgever en van M.Geladi een uittreksel af (auteur Marc Cels), dat inhaakt op de ANV-Visser-Neerlandiaprijs, die aan Richard Celis in 2002 toegekend werd.

Mr. Herman Lodewijk Alexander Visser en de oorlogsjaren

In het zesde nummer van de twintigste jaargang, op 15 december 1945, meldt de redactie van het tijdschrift Mensch en Maatschappij in een kaderbericht waarvoor één bladzijde uitgetrokken wordt:

“Mensch en Maatschappij” verschijnt weer, maar in de rij van redacteuren missen wij prof. Bonger, prof. Polak en mr. Visser, die in 1925 met anderen het initiatief namen tot het uitgeven van ons tijdschrift. Zij allen stierven een gewelddadige dood. Deze gedachte vervult ons met bitterheid en weemoed. Hoe gaarne zouden wij hen nog in ons midden hebben, hoezeer missen wij hen. Het is alles voorbij. Ons, die achtergebleven zijn, rest de taak mede te helpen aan de opbouw van een nieuwe cultuur, in de geest van hen, die uit ons midden werden weggerukt.(1)

Mr. H.L.A. Visser, die in Amersfoort geboren werd op 24 april 1872, benam zichzelf het leven op 28 mei 1943. Joodse Nederlanders werden toen opgejaagd. Als gefortuneerd man had hij voor zichzelf wellicht tijdig een uitkomst kunnen bedenken. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zijn liberaal en sociaal humanisme als intellectueel zo lang mogelijk en zo vrij-zinnig mogelijk vormgegeven binnen de Nederlandse context. Deze context, zowel de rechtstaat als de cultuur, was voor hem een uitverkoren voorwerp van zijn piëteitsvolle inzet als intellectueel. In 1943 was door zijn stijgende leeftijd (71) en de scherp afgenomen vrijheid van denken en bewegen voor hem blijkbaar een ultieme grens bereikt: nuchter heeft hij zijn gedachten over waarden en cultuur samengevat in een aantal testamentaire beschikkingen, die vandaag een even piëteitsvol antwoord verwachten van de testamentaire uitvoerders, het Algemeen-Nederlands Verbond. Dit verbond, dat voor de oorlog al in min of meer autonome kernen binnen het Nederlandse cultuurgebied opereerde, kreeg van H.L.A. Visser immers een beloningsopdracht en het beloningsrecht, die zowel cultuurpedagogisch als juridisch behoren tot een wezenlijke denkas van Vissers visie op mens en maatschappij.

Deze testamentaire beschikkingen worden hier verder kort weergegeven vanuit de intellectuele arbeid, die het leven van Visser getypeerd heeft. Daarin valt de koppeling op van een grote emotionele afstandelijkheid voor particuliere gegevens uit eigen leven en herkomst aan een even grote sociale betrokkenheid bij het leven zelf: de bezige snelle maatschappelijke ontwikkelingen en de toekomstige mensheidscultuur. Hij voelde zich als vooraanstaand intellectueel met andere academici geroepen om vanuit het Nederlandse cultuurgebied tot deze mensheidscultuur bij te dragen. Dat was trouwens de doelstelling van het door hem vanaf het begin meegeredigeerde wetenschappelijk tijdschrift Mensch en Maatschappij, dat zich bezighield met nieuwe wetenschappen als psychologie, sociologie, antropologie, criminologie, erfelijkheidsleer, eugenetiek en met sociale ethiek en rechtsfilosofie.

In 1937 bespreekt Visser in dit tijdschrift een boek (De Nietzsche à Hitler, van M.P. Nicolas), waarin hij zijn afkeuring van het Hitlerregime de vrije loop laat en daarmee het thema van de gekozen emigratie aanbrengt: “ Zoals gifbeker, kruisdood, hoon of negatie te allen tijde het lot van genieën was, is ook Nietzsche voor miskenning geenszins bespaard gebleven. Maar het allerergste wat hem treffen kon en wat hij profetisch – in een brief aan zijn zuster- voorzag, is dat anderen, zelfs tegenvoeters, zonder enige rechtvaardiging daarvoor, zich op zijn gezag zouden beroepen. Zo liet, wat onze tijd betreft, Hitler zich naast een buste van Nietzsche fotograferen, worden beiden telkens in één adem vernoemd, verklaarde N’s zuster dat ze in Hitler de incarnatie van de door Zarathoustra voorspelde ‘Übermensch’ zag. (...) Zonder twijfel acht Nicolas het, dat Nietzsche, als hij thans nog leefde, emigrant zijn zou.” Visser , die zelf een boek schreef over Nietzsche (N., de goede Europeaan), noemt het werk van Nicolas een goed stuk. Hij stelt evenwel de vraag of dit boek volstaat om alle misverstanden over N. te overwinnen. Nietzsche én de übermensch staan bij Herman Visser voor een niet geheel geslaagd, maar toch significant ideaal van ethisch anarchisme, de mens die recht doet en vanuit een innerlijke ‘wet’ leeft, die sterk genoeg is om onbevoogd in het leven voor te gaan als drager van een eigen aardse zin, die aan institutionele vormen van zingeving en recht voorafgaat.

De inspanning van Visser

Voor Visser was al snel duidelijk geworden wat bij de beoogde mensheidscultuur niet helpen zou: de eenzijdigheden van het wijsgerig rationalisme, idealisme en realisme, en de denkhouding die hiertoe leidt, de wereld van de stelsels, -ismen en utopieën. Het waren verschrompelingen van het leven, soms gevaarlijke dwangbuizen in, van en voor de menigte. Het was nodig alle relaties tussen subject en object, tussen massa, openbare mening en enkeling te willen zien zonder vooraf opgelegde waardenhiërarchie, maar wel met een algemene horizon. Deze horizon was wat het leven bevordert. Waarden, zowel de economische waarden als de meer ideële, moeten volgens Visser steeds in evenwichten bestaan en in hun relatie tot die horizon van levensbevordering voor elk persoon (en groep) bekeken worden. Daaraan werken is werken aan culturele harmonie: een ‘spel’ van evenwichten, van herkenning van de mogelijke waarheid van het tegendeel, van verscheidenheid eerder dan van eenzijdige gelijkvormigheid, van processen en compromissen die de hele werkelijkheid tot kwalitatief beter leven brengen. Samenhang is in zijn geest geen afdwingbare zaak, maar een met voorzichtigheid en zonder oogkleppen na te streven objectief. Van processen in die richting verwachtte hij een meer op kwaliteit gerichte wereld, eerder dan een meer kwantitatieve, een samenleving met karakter, mede dankzij de draagkracht van karaktervolle zelfstandige mensen Dat heette Visser een personalistisch standpunt, waarbij ruimte was voor de rationele én de irrationele kant van het leven. Bij het beëindigen van zijn studie in de rechten, in 1896, had hij reeds gewezen op de tekorten bij het psychiatrisch toezicht in de gevangenissen. Het was een eerste steen van een logisch samenhangend traject, dat met de hier volgende testamentaire bepalingen (2) van de naar hem genoemde prijs voortgezet wordt:

  1. Zedelijke en/of natuurlijke steunverlening aan diegenen, vooral Nederlanders, die door of ondanks hun goed karakter zijn of dreigen benadeeld, door beloning van werkelijke verdiensten en door afwijzing van succesjacht; om te beginnen in het bijzonder door het instellen van (school)prijzen tot aanmoediging van goed karakter, die in tegenstelling tot knapheidsprijzen hier te lande zeldzaam of niet voorkomen.

    ‘Vooral Nederlanders’: daarmee sluit Herman Visser geen enkele andere natie uit. Wie in Vissers soms moeilijk leesbare teksten ronddoolt, wordt getroffen door zijn natuurlijke keuze van een positie als staatsburger, door zijn ondersteuning van de Nederlandse cultuur, waarbij Nederland in het Nederlandse cultuurgebied de enige echte speler is. In Vlaanderen is op dat ogenblik immers nauwelijks sprake van een deelname aan een academische cultuur in het Nederlands. De academische wereld is er franstalig. Het kan dus niet verwonderen dat Herman Visser haast automatisch terugvalt op Nederland en ‘vooral Nederlanders’.(zie ook IV). Wellicht hebben oorlogsomstandigheden de bijstelling eveneens beïnvloed.

    Dat Visser een grote rol weggelegd ziet voor het belonen, zowel bij de uitvoering van het strafrecht als in het pedagogische circuit, werd al eerder vermeld. In dat kader is het belangrijk aan te stippen dat Visser vanaf de eerste insteek in de academische wereld opgekomen is voor het grootst mogelijke respect van de mens als totaliteit. Inzake de vorming van jonge mensen zal hij opkomen voor de meest veelzijdige ontwikkeling van alle talenten. Het is een gevolgtrekking die samenhangt met de afwijzing van mechanistische en deterministische gedachten in verband met mens en maatschappij. Het is tevens een aanhef voor het thema van het karakter en de kwaliteit. Met karakter bedoelt hij het geheel van kennis, wil en gevoel, dat een hechte structuur van de persoonlijkheid weergeeft, waarbij naar de aanvaarde levenszin, finaliteit en de ertoe behorende normen geleefd wordt op een standvastige wijze. Ongetwijfeld kleurt de inhoud, die tijdgenoten Schweitzer, Spranger en vooral Stern aan leven gaven, het denken van Visser over het bevorderen van het leven.

  2. Steunverlening aan praktische, tevens zuiver culturele werkzaamheden (...)

  3. Medewerking aan het voorkomen van alles wat met hypercultuur en verder met paniek, psychische epidemie en gevaarlijke massasuggestie in het bijzonder in Nederland samenhangt; door bevordering van ook op experimenten berustende studie dienen daaruit voortvloeiende maatregelen te worden voorbereid.

    Het is niet twijfelachtig dat dit affectief het eerste toetsbord van H. L.A. Visser geweest is. Ten slotte was hij een joodse Nederlander. Joods staat met kleine letter, zo zag Herman Visser het voor zichzelf, voorzover hij dit als vrijzinnig humanist nog wel wenste te zien. De vergelijking van twee juristen, L.E. Visser en ‘onze’ mr.Visser, is pregnant: beiden geboren in Amersfoort, beiden op één jaar na dezelfde leeftijd, beiden overleden tijdens de oorlog, voor ze afgevoerd zouden worden naar uitroeiïngskampen. L.E. Visser is wel een natuurlijke dood gestorven. Ze behoorden beiden tot de smalle gegoede bovenlaag van de joods-Nederlandse bevolking, die vooral in en rond Amsterdam leefde. Na de advocatuur koos L.E. Visser voor de ambtenarij. Omdat hij daar als Jood geen carrière kon maken, verliet hij deze wereld. Hij werd rechter en later de voorzitter van de Hoge Raad der Nederlanden. Tijdens de oorlog kwam hij openlijk op voor de rechten van zijn Joodse medeburgers en werkte hij mee aan de illegale krant Het Parool. Herman Visser heeft dezelfde beledigingen en negatieve stereotypering moeten ondergaan, ook de wereldwijd berucht geworden Dreyfusaffaire zal hem als internationaal geïnteresseerde studax beroerd hebben. Hij verwerkt het gegeven opvallend anders en bindt de strijd aan tegen de negatieve geestelijke beïnvloeding van de ‘menigte’. Het wenselijke en het onwenselijke, de voordelen en de nadelen van de interactie tussen massa, staat, openbare mening en enkeling worden zijn eerste en meest zorgvuldig bestudeerde patronen, nadat hij eenmaal afgestudeerd is. Hij zoekt bij elk van deze termen naar de voorwaarden om noodlottige massasuggesties, illusies en -ismen tegen te gaan. Het karakter en de kwalitatieve bijdrage van de enkeling krijgen hier een extradimensie, waarvan Visser de versterking wenst. Vanwege die vraag naar interactie, gebeurt ook de afwijzing van hypercultuur. (zie ook IV).

  4. Uitloving van een prijs voor een hoogstaand Nederlands toneelspel en voor voortreffelijk door een Nederlander gecomponeeerd, melodieus, dus niet hypermodern muzikaal werk(...).

Een toepassing bij de uitreiking van de ANV-Visser-Neerlandiaprijs

Wat heeft mr. Visser, met de dood voor ogen, en overtuigd dat zijn geestelijke bewogenheid een wezenlijke betekenis had voor de menselijke toekomst, ter uitvoering van de beloningsopdracht doen kiezen voor het Algemeen-Nederlands Verbond? Oorlogsomstandigheden zullen de keuzemogelijkheid waarschijnlijk beperkt hebben. Toch staat het buiten kijf dat een aantal inhoudelijke gegevens van de organisatie bijzonder goed passen bij het geestelijk profiel van Visser:

Het ANV mag inderdaad beweren dat het deze garanties wel geboden heeft. Sedert 1955 wordt de beloningsopdracht uitgevoerd. Na het advies van bevoegde commissies, krijgt het verbondsbestuur de vraag een voorgedragen kandidaat, persoon of organisatie, te belonen, omwille van motieven die in het verlengde liggen van de vermelde testamentaire beschikkingen. In 2002 werd door het verbondsbestuur onder voorzitterschap van mw. dr. Els Ruijsendaal besloten dat de prijs voor persoonlijke verdienste aan erenotaris Richard Celis verleend zou worden. Hij werd hem op 14 december 2002 overhandigd.(3) Als redenen werden zijn algemeen Vlaamse en algemeen Nederlandse verdiensten vermeld, en zijn bijzondere inzet voor de jaarlijkse Elfdaagse Vlaanderen-Europa. Het was, met de woorden van Visser, een prijs voor karakter en kwaliteit.

Het moet wel duidelijk zijn dat de constante levensinzet van Richard Celis en de kwaliteit ervan, de hoedanigheid, het ‘hoe gedaan’, de instemming van mr. Visser zou gekregen hebben. Richard Celis staat vanaf zijn jeugd op de bres voor de jongeren (scouts, studentenbeweging), voor de cultuur in kleine kring en in grotere kring (Davidsfonds, Kempense Koffietafel, Algemeen Nederlands Zangverbond, Vlaamse Culturele Koepel), én in verschillende milieus, academische en andere. Zijn Vlaamsgezindheid en zijn heelnederlandse betrokkenheid heeft hij in een ruim perspectief gesteld, het perspectief van een plurale en democratische samenwerking en van een openheid voor het geheel van de maatschappelijke kwesties die ons moeten beroeren, inclusief een culturele unie van de Lage Landen. Als voorzitter van een belangrijke culturele organisatie, het ANZ, is hij opgekomen voor vernieuwing en herkenning van nieuwe populaire stijlen in het eigen taalgebied. Wars van collectieve en persoonlijke zelfvoldaanheid heeft hij oog gehad voor de Europese en de internationale context.

Herman Visser zou op grond van dit te snelle overzicht over piëteit als kenmerk en als verdienste gesproken hebben. In zijn laatste artikel in Mensch en Maatschappij (1941) omschrijft hij piëteit als volgt:

“De neiging tot eenheid, die in piëteit aanwezig is, de eigenlijke synthetische kracht der ziel, speelt zelfs nog in de donkerste uren der boosheid haar rol.(...) Piëteit, buiten elk dogma en elke in overdrijving vervallende vorm om, is, zonder het rijk van de luchtkastelen te betreden, van hogere orde, behoort niet, zeker niet uitsluitend tot de sfeer van het recht, maar minstens ook tot die van de plicht, die men tegenover de mensheid heeft te doen gelden. Piëteit is gegrondvest in een overtuiging die op een goed geweten berust en is de tweelingszuster van behoorlijke energie.”

(1) Citaten staan in de huidige spelling.
(2) Deze bepalingen leest men eveneens in Els Ruijsendaal, art. Leven en werk van Herman Visser, in: 50 jaar Visser-Neerlandiaprijzen. Leven en werk van Herman Visser, ANV, 2005, blz. 49
(3) R.Celis’ dankwoord bij de pijsoverhandiging leest men in Neerlandia, jg.107, nr.1, blz.10, tweede kolom, e.v.

Terug naar de hoofdpagina.