anv logoANV INTERNATIONALE VERENIGING VOOR DE NEDERLANDSE TAAL EN CULTUUR



Hooggeleerde dames en heren, leden van deze Academie,

Hooggeachte vergadering,

Bij de huldiging van dr. Snellaert lijkt het een duidelijke titel:

“Politiek gescheiden en cultureel één”. Waarheen vandaag?

Dat is dan de vraag.

Een ANV-visie

De rode draden van dit verhaal zullen sterk aansluiten bij het leven en het gedachtengoed van degene die vandaag gehuldigd wordt, dr.Snellaert. Hij was immers een mature drager van wat vandaag nog in het Algemeen-Nederlands Verbond leeft, wat het verbond ten gronde bezielt.

img2

1. Na de septemberdagen van 1830

Toestand

Vorige sprekers hebben de situatie en de mens belicht. Ik pik aan bij enkele gegevens, die centraal lijken. Met dr. Snellaert zien we een practicus aan het werk, de empirisch gerichte geneesheer, die welzijn voor ogen heeft. We zien ook een wetenschapper aan het werk, een taalwetenschapper die het opneemt voor het Nederlands. Hij doet dat in een situatie van bedreigde taaleenheid en van bedreigde evenwaardigheid in het nieuwe en jonge staatsverband. Hij stelt met anderen vast dat dit staatsverband hybried is. Vanaf het eerste moment zijn er meldingen over de ongeloofwaardige of onrustwekkende, niet te vertrouwen samenstelling van het nieuwe koninkrijk. Vanaf 1845 zijn er pleidooien voor administratieve scheuring of scheiding.

Aanbreng

In deze toestand heeft dr. Snellaert alles wat hij vermocht gedaan om in de Lage Landen tot taaleenheid te komen en niet af te glijden tot maatschappelijk minder belangrijke en minder verdedigbare taalconstructen die zich tot een eigen taal zouden uitroepen en van het verschil het centrale punt zouden maken. Hij heeft daarbij vanuit het Zuiden een zeer belangrijke bijdrage geleverd tot een wetenschappelijke kijk op onze Nederlandse letteren. Hij nam het initiatief voor een eerste Nederlandsch Letterkundig Congres in 1849 en zat de uitvoerende commissie ervan voor. Dat congres stond in de geest van toenadering tussen stam- en taalgenoten, die door staatsstructuren gescheiden waren.
Breder dan de taalminnaar, een beperkend begrip dat een negatieve bijklank kreeg, stond hem de concrete evenwaardigheid van de Nederlandstalige burger en van de eigen cultuur in België voor ogen. Dat bracht hem in commissies die de toestand wensten te veranderen.
Binnen de aanvaarding van het nieuwe staatsverband, zij het node, heeft hij de nood aangevoeld van politieke actie. Hij hoopte in de context van het toenemende katholiek-liberale antagonisme in de twee kampen adepten te vinden.

Verschillende accenten zijn vandaag nog hoofdaccenten voor het ANV:

2. Voor de Eerste Wereldoorlog

Hoe leefden deze thema’s van dr. Snellaert bij H. Meert, de stichter van het ANV?

Toestand

Hippoliet Meert heeft dr. Snellaert niet meer gekend. Hij werd in Aalst geboren op 1 april 1865. Zijn generatie heeft het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden niet meer meegemaakt. De Vlaamse Beweging, de Vlaamse kringen van zijn tijd leven en denken vanzelfsprekend en rationeel in het Belgisch kader. Wel bieden cultuur en wetenschap in Nederland een sterke voedingsbodem die de inzet voor Vlaamse gelijkwaardigheid in België ondersteunt.
Meert zal in de richting Germaanse talen werken. Taal en taalzuivering staan op zijn lijst. Het levert hem enkele bekroningen op van de jonge Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Als Vlaams-liberale intellectueel beleeft hij enerzijds het begin van een sterk probleemonderschattende taalwetgeving, anderzijds is hij de getuige van racistische inschattingen ten opzichte van wat onder meer ‘het Vlaamse ras’ heet, in een algemene terminologie die niet meer de onze is. Meert stelt eveneens tot zijn grote spijt vast hoezeer de tweekamp tussen paapsen en antiklerikalen Vlaamse eisen in Vlaanderen verdacht maken. Net als dr. Snellaert maakt hij van de politieke activiteit geen doelstelling en behoort hij tot de meerderheid die het Belgisch feit aanvaardt, zij het zonder geestdrift.
Hij volgt het spoor van Lodewijk de Raet, die de ontwikkeling van Vlaamse volkskracht niet tot het taalniveau beperkt, maar ze op alle gebieden van het leven van ons volk betrekt, ook op het ekonomisch gebied.

Aanbreng

In 1893 antwoordde hij op een artikel dat in Chicago in De Nederlander verscheen op de vraag of het Nederlands een toekomst heeft. Het werd een pleidooi voor een Algemeen-Nederlands Verbond, naar het model dat in Duitsland en in Frankrijk bestond, een verbond om het Nederlands wereldwijd te steunen. In 1895 werd het Algemeen-Nederlands Verbond in Brussel gesticht. Ook in Wallonië werden later enkele ‘takken’ ervan opgericht. In 1896 gaf het verbond een bescheiden tijdschrift uit, Neerlandia. De titel en de vereniging bestaan nog steeds.
Zijn verdediging van het Nederlands en zijn oog voor onderdrukking brachten hem ertoe de Zuidafrikaanse Boeren te steunen in hun strijd tegen de Engelsen.

In België ijverde Meert voor de vernederlandsing van het middelbaar en het hoger onderwijs. Hij was voor de Eerste Wereldoorlog secretaris van de tweede Vlaamse Hogeschoolcommissie.
In 1912 reageerde hij op de open brief van de socialistische voorman Jules Destrée, die de Vlaams-Waalse scheiding voorstond omdat het Vlaamse volk het Waalse bestal. Dat was overigens een vergissing. In zijn antwoord somde Meert de Vlaamse grieven op, wees hij de idee van scheiding niet af, maar verkoos hij het Belgisch kader om de eisen van de Vlaamse Beweging recht te doen. Dat was in zijn generatie trouwens geen uitdrukking van Belgisch nationaal gevoel.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Meert zoals velen moeten kiezen tussen een minimalistische groep, die de Vlaamse eisen, ook al was daar een rechtskader voor, niet door de bezetter verwezenlijkt wenste te zien, én de maximalistische groep die verder dan het bestaande Belgische rechtskader meende dat het uur van Vlaanderen gekomen was. De afwijzing van de meest minimalistische pool maakte van hem een activist, hoogleraar aan de Gentse universiteit, lid van de Raad van Vlaanderen, waaruit hij in juli 1918 ontslag nam, toen hij vaststelde dat de Duitse overheid de Vlaamse kwestie ‘gebruikt’ had. Hij werd na de oorlog veroordeeld, vluchtte naar Duitsland en ging later naar Nederland. Hij stierf in Middelburg in 1924.

Hippoliet Meert heeft gestreden, ik citeer: ‘om het stambewustzijn van de verspreide Nederlanders op te wekken en daarbij ook de Nederlandse taal en cultuur als hefboom te gebruiken’. Het ANV kreeg daarmee een geest mee, die wereldwijd gericht was. In 1897 werd het initiatief in Dordrecht opgepikt. In 1898 bestond het Verbond over de staatsgrens heen. Tien jaar later lag het zwaartepunt in Nederland: meer dan acht van de tienduizend leden waren rijksnederlanders.

3. Vandaag

Sinds het eerste Nederlands Congres te Gent zijn 160 jaren verstreken, sinds het overlijden van Meert 85. Een balans van de voorbije tijd, vanuit de hoop die Snellaert in de beweging droeg en vanuit de strijdvaardige gezindheid van mensen als Meert, toont vele positieve punten. De strijd heeft gerendeerd. Ook minpunten. Strijdbare inzet blijft onverminderd een noodzaak.

Toestand

Terugblikkend zien we dat de ‘integratie’ tussen Noord en Zuid vele invullingen kende, rechtstreeks of onrechtstreeks.

De droom van ‘integratie’ kreeg in de eerste helft van vorige eeuw politiek een onuitgewerkte ‘grootnederlandse’ gestalte. De verbinding van deze idee met ondemocratische formaties heeft de idee gediscrediteerd. De gewenste Europese integratie, met weliswaar haar uitdaging voor ons en andere taalgebieden en met andere vormen van democratisch tekort, is deze vorm van integratie overigens voorbijgehold. De Benelux en vooral het gegroeide zelfvertrouwen van Vlaanderen, en de daarbij horende zelfbeschikking, hebben deze politieke aspiraties veranderd. De naamwijziging van instellingen van Nederlands naar Vlaams is hiervoor tekenend. Ook heeft onze buurstaat in het grootnederlandisme sinds 1830 nooit wat gezien. De tijd van het Verenigd Koninkrijk en van de Zeventien Provinciën is als moment van herinnering ongetwijfeld belangrijk, maar als droom van politieke integratie niet actueel.
Sectoriële politieke en economische samenwerking, boven de mededinging heen, zijn dat wel. Het draagt bij tot een klimaat waarin soms confederale belijdenissen te lezen vallen en prettige opiniepeilingen.

Vanuit de zijdelingse benadering, politiek als middel, kijkt het ANV naar dit politieke veld van gestalten vanuit de vraag naar de culturele uitstraling van onze laaglandse cultuur, vanuit de evenwaardigheidskwestie en vanuit de vraag naar de aanwezigheid van onze taal, waarbij Brussel en Europa niet vergeten worden. Wellicht zou dit de invalshoek van Snellaert ook geweest zijn.

Dat we bij deze grootnederlandse gestalte even stilstonden, is natuurlijk verbonden met een cultuurconcept, waarbij cultuur steeds breed ingevuld werd. Zo heeft het ANV in het Noorden als netwerk gefunctioneerd ten voordele van de ekonomische expansie van Nederland, toen een koloniale mogendheid. ‘Cultuur’ op beperkende wijze werd in het verleden vooral naar voor gehaald wanneer gevreesd werd voor politieke inmenging in het Zuiden. Op deze wijze heeft het ANV-bestuur bijvoorbeeld een ‘dietsende’ studentengeneratie in Nederland tijdens het interbellum in de wind gezet. Het Dietsch Studenten Verbond haakte af.
Mensen als Hendrik Brugmans hebben dit meegemaakt.
Toch heeft de beweging dat concept van cultuur in brede zin niet opgegeven, en ook heeft ze het concept integratie niet vervangen door een te algemene samenwerkingsgedachte, hoe positief die ook bedoeld was.

Een zeer belangrijke invulling van de term ‘integraal’ en van culturele integratie is de keuze geweest voor de eenheid van taal en van grammatica, de eenheid van de taalstandaard. In dit opzicht heeft het Zuiden de jongste decade wel weer een eigenaardige tendens vertoond om ‘Vlaams’ te creëren. Media hebben daartoe fors bijgedragen. Sommige DVD’s geven nu drie taalmogelijkheden: Engels, Nederlands en Vlaams. Het is vandaag een staaltje van aan de gang zijnde vervreemding tussen Noord en Zuid, met impliciet xenofobe trekjes.
Dat het Engels in deze context vermeld wordt, is geen toeval. Het Engels manifesteert zich op alle gebieden als een nieuwe uitdaging. Voor onze cultuur en voor onze taal opkomen, samen met anderen, die dezelfde kwestie ervaren, verrijkt de verscheidenheid en is een basisvoorwaarde voor een democratische samenleving.

Aanbreng

Als minst luidruchtige van de actiegroepen kan het ANV samen met jongere netwerkverenigingen, met cultuurverenigingen en met instellingen zoals deze Academie toch een lijst van aanzienlijke verwezenlijkingen voorleggen, die in strijdbare actie doen geloven. Samen zijn wij het middenveld geweest dat aan belangrijke akkoorden een ‘taal’ en een draagvlak gegeven heeft.

Breder dan andere akkoorden en dan de opening van belangrijke centra als De Brakke Grond in Amsterdam en deBuren in Brussel is het in 1995 ondertekende Nederlands-Vlaams verdrag inzake de samenwerking op het gebied van welzijn, wetenschappen, onderwijs en cultuur.
Op beleidsvlak werd de Nederlandse Taalunie in 1980 ingesteld, waartoe Nederland, Vlaanderen en Suriname thans behoren. Het is een mijlpaal geweest, die de vraag rechtvaardigt of er een volgende stap komt?

Hierbij wordt ons opnieuw de vraag gesteld waarheen wij willen. De strategienota Nederland van de Vlaamse regering, die in 2006 opgesteld werd onder de verantwoordelijkheid van Vlaams minister Geert Bourgeois, is terzake zeer ambitieus. De Nederlandse regering zweeg. De wil tot voortgang zal derhalve van ons als middenveld moeten komen, het zal van onze netwerken in ons cultuurgebied afhangen of die voortgang gerealiseerd wordt.
Aan welke nieuwe stap denken we? Graag sluit ik me aan bij de stelling dat een cultuurunie het volgende grote doel moet zijn, waarbij het Taalunieverdrag en het cultureel verdrag fuseren. Terzake is de strategienota eerder voorzichtig: ze wil deze fusie ‘NU’ niet in overweging nemen. Werd bij de opstelling van de nota gedacht dat de zwijgzaamheid bij onze prioritaire buren zonder de toevoeging ‘OP DIT OGENBLIK NIET’ te oorverdovend zou worden?

Het is een doelstelling waartoe een volgend Algemeen Nederlandse Congres zou moeten bijdragen, bijvoorbeeld in 2014. Het is een mogelijke datum voor een vijfjarenplan voor degelijk studiewerk. Het is natuurlijk ook een symbolisch jaartal. Het zal dan tweehonderd jaar geleden zijn dat onze gebieden bevrijd waren en dat in regeringskringen hier gedacht werd aan een hereniging van de Lage Landen. Hoezeer onze landen politiek gescheiden zijn, weze het in steeds mindere mate, blijft dit herenigingsmotief een belangrijke constante sinds de XVI-de eeuw, een steeds weer opduikend herinneringsmoment aan verleden vormen van toenadering.

Het nieuw bijeen te roepen congres zou een voorstel kunnen uittekenen dat voorzienbare ongewenste neveneffecten van de fusie tussen het cultureel verdrag en het Taalunieverdrag voorkomt, zonder in te boeten in de breedte en in de beleidskracht. De beslissing ligt thans in de handen van onze verenigingen en instellingen. Vanuit deze Academie, die zelf ‘lieu de mémoire’ is en geschiedenis toekomst geeft, houd ik in naam van mijn organisatie een warme oproep om samen naar dit nieuwe congres toe te werken.

Ondertussen blijven een aantal urgenties onverkort bestaan: het Nederlands in het hoger onderwijs en in de wetenschap, het Nederlands in de Europese ruimte, gemeenschappelijke initiatieven inzake het buitenlands cultuurbeleid, een doeltreffender werking inzake Nederlands als nieuwe taal voor burgers met een andere herkomst.

Ik besluit met de betuiging van mijn grote dank aan professor Ada Deprez, die aan het denken over dr. Snellaert en aan de her-denking ervan zoveel tijd en kwaliteit geschonken heeft,

en aan u, voor de aandacht die u me gaf.

5 december 2009

Terug naar de hoofdpagina.